19 april 2011
Op de website www.petities.nl ondertekenden de afgelopen weken honderdduizenden mensen een petitie die oproept om de wetgeving ten aanzien van verkrachting aan te passen. De petitie is een reactie op de media aandacht rondom de Amsterdamse zedenzaak. In het programma Pauw en Witteman stelde de advocaat van verdachte Robert M. dat verdachte waarschijnlijk geen verkrachting ten laste zal worden gelegd. De reden hiervoor is dat het niet kan worden bewezen dat er bij het seksueel binnendringen van de minderjarigen sprake is geweest van geweld.
In reactie hierop volgde een massaal ondersteunde petitie waarin wordt voorgesteld om de wetgeving zo te wijzigen dat penetratie van kleine kinderen altijd als verkrachting wordt behandeld. Met hun ondertekening geven meer dan honderdduizend mensen aan dat seksueel misbruik van kinderen ontoelaatbaar is en dat kinderen beter beschermd moeten worden. Deze massale uiting van betrokkenheid bij het lot van seksueel misbruikte kinderen is van grote waarde. Het is goed dat er een discussie op gang komt over de bescherming van kinderen tegen seksueel misbruik. Juist deze maatschappelijke betrokkenheid en het eminente belang van het kind in dit soort zaken vragen om een zorgvuldige analyse van zowel het probleem als de mogelijke oplossingen.
De kern van de zaak is of verdachte verkrachting ten laste kan worden gelegd. Het is van belang om precies te bepalen wat dit is. De Dikke van Dale omschrijft verkrachting als 'het met geweld tot geslachtsgemeenschap dwingen'. De juridische betekenis van verkrachting sluit hierbij aan en vinden we terug in artikel 242 van ons Wetboek van Strafrecht. Hierin staat verkrachting omschreven als een ander met geweld, of onder dreiging van geweld dwingen om handelingen te ondergaan waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam. Die ander kan een ieder zijn, dus ook een kind. Het gebruik van geweld vormt echter zowel in de van Dale, als het wetboek onderdeel van de definitie.
Hier doen zich gelijk enkele problemen voor, allereerst een bewijsprobleem. Als het om jonge kinderen gaat, is het gebruik van geweld vaak lastig te bewijzen. Daarbij komt dat het voor de strafbaarheid helemaal niet relevant moet zijn of sprake is geweest van geweld. Zelfs als er geen geweld aan te pas komt, is seksueel contact tussen het kind en een volwassene een volstrekt ontoelaatbare handeling.
Gelukkig sluit de wetgever zich hierbij aan en heeft in artikel 244 van ons Wetboek van Strafrecht precies om die reden een aparte bepaling opgenomen die zich specifiek richt op kinderen jonger dan twaalf jaar. Volgens dit artikel is het seksueel binnendringen van een persoon jonger dan twaalf jaar altijd strafbaar en wordt dit bestraft met maximaal twaalf jaar gevangenisstraf (of een geldboete uit de vijfde categorie). Dat is dezelfde strafmaat als die voor verkrachting. Het verschil echter met het verkrachtingsartikel is dat in dit geval niet behoeft te worden bewezen dat er sprake is van geweld; het seksueel binnendringen van een persoon onder de twaalf is altijd strafbaar of er nu sprake is geweest van geweld of niet. Ook maakt het bij de toepassing van dit artikel niet uit of de dader op de hoogte was van de leeftijd van de minderjarige.
Artikel 244 biedt kinderen jonger dan twaalf jaar dus een verdergaande bescherming dan het algemene verkrachtingsartikel. Het ten laste gelegde feit wordt formeel gesproken dan wel geen verkrachting genoemd – die term is immers gereserveerd voor het met geweld iemand dwingen tot seksuele gemeenschap – in de praktijk komt het op hetzelfde neer. De strafmaat is hetzelfde, het bereik van het artikel is zelfs ruimer. In feite biedt artikel 244 van ons Wetboek van strafrecht dan ook een extra waarborg voor die situaties waarin een kind dat jonger dan twaalf is, slachtoffer wordt van seksueel misbruik en geweld niet bewezen kan worden. De huidige wetgeving is aldus goed toegesneden op de problematiek en het zou in feite een stap achteruit zijn als dit soort ernstige vergrijpen als verkrachting zouden worden behandeld.
Waar de Nederlandse systematiek wel duidelijk tekort schiet, is op het gebied van gespecialiseerde forensisische kennis. Het komt nu nog te vaak voor dat zaken betreffende seksueel misbruik van kinderen toch worden geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Daaruit blijkt andermaal dat het in de huidige situatie al moeilijk genoeg is om de bewijslast rond te krijgen en er niet ook nog eens een bewijs van geweld moet worden gevergd. Wel zou de Nederlande overheid meer moeten investeren in de inzet van gespecialiceerde forensische kennis op het gebied van kindermishandeling en seksueel misbruik.
Defence for Children-ECPAT sluit zich dan ook aan bij de maatschappelijke ongerustheid ten aanzien van de bescherming van minderjarigen tegen seksueel misbruik, maar ziet de oplossing niet in een wetswijziging, maar eerder in investering in forensische kennis en vaardigheden. Daarnaast zijn er voor slachtoffers van seksueel misbruik nog niet voldoende hulpverleners die in staat zijn om zorgvuldig vast te stellen welke hulpverlening het kind en zijn of haar ouders nodig hebben. Er zijn nog altijd wachtlijsten voor het bieden van gespecialiceerde zorg. Ook is er een gebrek aan adequaat toezicht en kunnen strafgegevens nog niet internationaal uitgewisseld worden. Hierdoor kon het gebeuren dat de in Duitsland voor bezit van kinderpornografie veroordeelde Robert M. in Nederland gewoon een 'Verklaring omtrent het gedrag' kon krijgen.
Seksueel misbruik van kinderen is ontoelaatbaar en zou nooit voor moeten komen. Het Kinderrechtenverdrag is er duidelijk over. De overheid moet er volgens het verdrag alles aan doen om seksueel misbruik te voorkomen en zolang kinderen er slachtoffer van worden, te zorgen voor adequate bescherming en hulp. De Nederlandse overheid moet zich dan ook op meerdere fronten beter inzetten om deze verplichting uit het kinderrechtenverdrag na te leven.
© 2009 Defence for Children International Nederland - All rights reserved.