17 augustus 2005
"Ze zeggen dat geld niet gelukkig maakt, maar geld maakt wel gelukkig! Ik slaap met mijn zusje op één kamer. Ik heb geen echte plek, een kamer of een computer of een bureau, weet je wel, dat heb ik niet. Maar ik hoop dat dat nog komt. Nu kunnen we dat niet kopen, omdat we geen geld hebben en ieder moment hier eruit gezet kunnen worden omdat we de huur niet meer kunnen betalen."
De wens van dit 15-jarige illegaal in Nederland verblijvende meisje lijkt te worden vervuld door de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van maandag 8 augustus 2005. Deze rechter heeft geoordeeld dat illegaal in Nederland verblijvende gezinnen recht hebben op financiële ondersteuning van gemeenten als de ouders onvoldoende geld hebben. De rechter baseert deze uitspraak op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Uit het Verdrag volgen ook veel andere rechten die gelden voor 'illegale' kinderen. Bijvoorbeeld dat bij alle beslissingen die ten behoeve van een kind genomen worden het belang van het kind het allerbelangrijkst is. En dat kinderen niet zomaar van hun vrijheid beroofd mogen worden en opgesloten worden in bijvoorbeeld gesloten uitzetcentra. Deze rechten worden in Nederland zelfs in 2005 nog dagelijks met voeten getreden.
Kinderen kunnen om diverse redenen illegaal in Nederland zijn, bijvoorbeeld omdat ze kind zijn van illegaal in Nederland verblijvende (arbeids)migranten of van (uitgeprocedeerde) asielzoekers. Over 'illegale' kinderen is weinig bekend. Zij leven immers in de marge van de samenleving. Er bestaat een ruwe schatting dat er tussen de 10.000 tot 20.000 'illegale' kinderen in Nederland onderwijs volgen. Illegaliteit is van grote invloed op het dagelijkse leven van kinderen. Het recht op voorzieningen wordt in Nederland sinds 1998 namelijk gekoppeld aan het hebben van een verblijfsrecht. Hierdoor hebben 'illegale' kinderen - behalve het recht op onderwijs, rechtsbijstand en medisch noodzakelijke hulp - géén recht op overige voorzieningen. In de praktijk betekent dit dat 'illegale' kinderen vaak te maken hebben met een instabiele huisvestingssituatie. Sommige kinderen kunnen in Nederland kortere of langere tijd niet naar school, doordat ze ondergedoken zitten, iedere keer weer verhuizen of rondzwerven door Nederland. De toegang tot gezondheidszorg is voor deze kinderen ook niet altijd gewaarborgd. Zo gaan de meeste kinderen wegens het ontbreken van financiën bijvoorbeeld niet preventief naar een tandarts. Ook hebben veel kinderen door onder andere de onzekerheid die het illegaal verblijf met zich meebrengt, last van klachten als nachtmerries, slaapproblemen tot hoofdpijn, buikpijn of haaruitval.
Volgens internationaal recht dienen kinderen in eerste instantie als kinderen te worden behandeld en niet als illegaal. Dit staat in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Op 20 november 1989 is het Kinderrechtenverdrag door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen. Het Verdrag is in 1990 in werking getreden en is inmiddels het meest bekrachtigde internationale mensenrechtenverdrag. Alleen de Verenigde Staten en Somalië zijn nog geen partij. De toenmalige Nederlandse regering heeft een actieve rol gespeeld bij de onderhandelingen over het Verdrag in Genève. Nederland heeft destijds gepleit om het Verdrag meer te laten zijn dan een herhaling en een hergroepering van rechten die in andere verdragen reeds vastgelegd waren: "het kinderrechtenverdrag zou moeten bestaan uit bij-de-tijdse en concrete beginselen, voorzien van praktische voorschriften voor toepassing". Ook is tijdens de totstandkoming van het Verdrag uitdrukkelijk besloten dat het Verdrag van toepassing is op 'illegale' kinderen.
In 1995 is het Kinderrechtenverdrag voor Nederland in werking getreden. Met de bekrachtiging van het Verdrag heeft Nederland zich verplicht om de rechten in het Verdrag na te leven. Als Nederlandse wet- en regelgeving in strijd is met 'een ieder verbindende' verdragsbepaling uit het Kinderrechtenverdrag, dan dient de wetgeving te worden gewijzigd. In de Nederlandse grondwet staat immers dat internationaal recht voorrang heeft op nationaal recht. Het is aan de nationale rechter om te oordelen over de kracht van de individuele artikelen uit het Verdrag en over de vraag of individuele artikelen 'een ieder verbinden'. Het is aan advocaten om een beroep te doen op bepalingen uit internationale verdragen.
Het toezicht op de naleving van het Verdrag is in handen van een internationaal Comité voor de Rechten van Kind. Dit Comité heeft de Nederlandse regering al in januari 2004 op het matje geroepen door te stellen dat de Nederlandse vreemdelingenwet in strijd is met het Kinderrechtenverdrag en aangepast dient te worden. Tevens heeft zij aangegeven dat kinderen voor zij terug gestuurd worden naar het land van herkomst recht hebben op adequaat onderwijs en niet op straat mogen belanden of in de gevangenis. Tot dusver heeft de Nederlandse regering deze aanbevelingen genegeerd. Helaas heeft het Verdrag (nog) geen individueel klachtrecht waarbij schendingen kunnen worden aangevochten, zoals sommige andere mensenrechtenverdragen dit wel hebben. Gelukkig kan er wel een beroep op bepalingen uit het Kinderrechtenverdrag worden gedaan bij andere internationale rechtsinstituten, zoals bijvoorbeeld het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Of de huidige regering het nu wil of niet, met de bekrachtiging van het IVRK - nu precies 10 jaar geleden - heeft Nederland zich verplicht het Verdrag na te leven. Dit is de juridische consequentie van het bekrachtigen van internationale verdragen. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep betekent wederom de erkenning van de kracht van het Verdrag en de zelfstandige rechten voor kinderen die uit het Verdrag voortvloeien. Er moet – ook binnen het vreemdelingenbeleid - rekening worden gehouden met de positie van de kinderen en niet alleen met die van de ouders. Zolang de kinderen in Nederland zijn, heeft de regering de plicht naar internationaal recht en ethiek om ze te verzorgen.
Internationale verdragen zijn juist bedoeld om te voorkomen dat als er een andere politieke wind waait basale mensenrechten (waaronder kinderrechten) opzij worden geschoven. Daarom wordt het hoog tijd dat de Nederlandse regering, de vreemdelingenwet in overeenstemming brengt met internationaal recht. Immers, als je nee zegt tegen het Kinderrechtenverdrag – en daarmee tegen de rechten van kinderen – wordt Nederland het zwarte schaap binnen de internationale rechtsorde. Voor een land dat doorgaans de mond vol heeft over mensenrechten toch een moeilijk houdbaar standpunt.
Als de regering desondanks niet de hand in eigen boezem steekt is het van belang dat de informatie over het Verdrag zo breed mogelijk wordt verspreid onder met name advocaten en rechters. Zodat deze met het Verdrag in de hand in de rechtszaal kunnen pleiten voor de rechten van 'illegale' kinderen. Zo wint het Kinderrechtenverdrag voor alle kinderen stukje bij beetje terrein!
* Bron citaat: Braat K.C. Ik ben er wel, maar ze zien me niet, Ervaringen van 'illegale' kinderen in Nederland, 2004.
© 2009 Defence for Children International Nederland - All rights reserved.