29 juni 2004
Voor het Algemeen Overleg van 29 juni 2004 over het terugkeer- en uitzetbeleid roepen wij u op om de positie van ingeburgerde kinderen (en gezinnen) in het terugkeer- en uitzetbeleid sterk te benadrukken. Ook in dit beleid geldt dat de belangen van het kind een eerste overweging moeten vormen (conform artikel 3 IVRK). Wij verzoeken u met name de aanbevelingen over te nemen van het Comité inzake de Rechten van het Kind van 30 januari 2004 (hierna: Comité).
Onduidelijkheid in het overheidsbeleid heeft er mede voor gezorgd dat ouders gekozen hebben (vaak in het belang van de kinderen voor een goede en veilige toekomst) om door te procederen en gedurende deze procedure in Nederland te verblijven. Al zou het verblijf in Nederland toerekenbaar zijn aan de ouders, dan is er desondanks op een bepaald moment sprake van rechtsverwerking. Uit het IVRK volgt een rechtsplicht voor de overheid om te zorgen dat het kind zijn recht op ontwikkeling onverstoord kan uitoefenen (6 IVRK). In deze gevallen kan de balans tussen de verantwoordelijkheid van de ouders omslaan naar (mede) verantwoordelijkheid van de Staat bij het bevorderen van de ontwikkeling van het kind. Men kan zeggen dat er sprake is van communicerende vaten. De handeling van de ouders moet niet voor rekening van de kinderen komen. De overheid moet hier in het gat springen. Kort gezegd er zijn grenzen aan de verantwoordelijkheid van de ouders. Als deze grenzen bereikt zijn, moet de overheid inspringen om de verantwoordelijkheid (18 IVRK) over te nemen om een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van het kind (6 IVRK) te bewerkstelligen. In de Lamguindaz uitspraak van het EHRM bepleit Mr. Schemers deze stelling ook als volgt: "By admitting aliens to their territory States inevitably accept at least some measure of responsibility. This responsibility weighs even more heavily in the case of children educated in their territory. (…) Even independent of human rights considerations, I doubt whether modern international law permits State which has educated children of admitted aliens to expel these children when they become a burden. Shifting this burden to the State of origin of the parents is no longer so clearly acceptable under modern international law. It is at least subject to doubt whether a host country has the right to return those immigrants who prove to be unsatisfactory."
Opmerkelijk is de interpretatie die de Minister geeft van de uitspraak van de Raad van State van 5 februari 2002. In deze (naar het oordeel van Defence for Children ongenuanceerde uitspraak) geeft de Raad van State in algemene onverbloemde termen een interpretatie van de reikwijdte van het IVRK voor kinderen zonder geldige verblijfsstatus; letterlijk zegt de Raad van State dat "het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, voor zover al rechtstreeks toepasselijk, geen aanspraken in het leven roept voor kinderen wier ouders op grond van de Nederlandse wet – en regelgeving geen verblijf wordt toegestaan.�? Deze opvatting van de hoogste administratieve rechter is ook voor de Minister te gortig. Zij merkt hierover op dat het IVRK ook ten aanzien van niet rechtmatig verblijvende kinderen werking heeft (reactie Minister op rapport Defence for Children, p. 4). De Minister trekt echter geen consequenties uit haar eigen interpretatie waar het gaat om het recht op voorzieningen. Ze kent kinderen zonder verblijfsrecht immers niet dezelfde onbeperkte toegang tot voorzieningen toe als andere Nederlandse kinderen. Weliswaar is er een (beperkt) recht op gezondheidszorg en onderwijs, maar de basisvoorzieningen van huisvesting en levensonderhoud (zie artikel 27 IVRK) wordt deze kinderen onthouden.
Artikel 2 IVRK (non-discriminatie) en artikel 27 IVRK ('minimum standards of living') geven tezamen aan alle kinderen op het Nederlandse grondgebied (binnen de Nederlandse rechtsbevoegdheid) dezelfde rechten op dezelfde voorzieningen. De Minister geeft echter aan dat ze niet gehouden is om blijvend in de opvang van mensen te voorzien, indien deze geen medewerking verlenen aan terugkeer. Zij ziet zich daartoe ook niet gehouden ingevolge internationale verplichtingen (reactie Minister op rapport Defence for Children, p. 5). Het VN-Comité inzake de Rechten van het Kind heeft echter in haar aanbevelingen van 30 januari 2004 (in aanbeveling 54d) aanbevolen dat de Nederlandse regering waarborgt dat alle kinderen die op uitzetting wachten adequaat onderwijs en adequate huisvesting krijgen.
© 2009 Defence for Children International Nederland - All rights reserved.