22 juni 2004
Aan de leden en plaatsvervangende leden van de vaste commissie voor Justitie van de Tweede Kamer
Voor het algemeen overleg van 24 juni 2004 inzake kinderen in het vreemdelingenrecht roepen wij u op de Minister met klem te vragen hoe zij invulling zal geven aan de aanbevelingen van het VN-Comité inzake de Rechten van het Kind van 30 januari 2004 (zie bijgesloten bijlage). Het is noodzakelijk dat de Minister eerst een samenhangend beleidsdocument opstelt waarin een verantwoord evenwicht centraal staat tussen kinderrechten en vreemdelingenrecht. Een serieus politiek debat over de in het AO voorliggende rapporten, waarin duidelijk verwezen wordt naar (het belang van) de aanbevelingen van het VN-Comité inzake de Rechten van het Kind, is zinloos wanneer een dergelijk beleidsstuk ontbreekt.
Het VN-Comité inzake de Rechten van het Kind zegt in zijn 'Concluding Observations' van 30 januari onder meer dat de huidige vreemdelingenwetgeving niet in overeenstemming is met de voorzieningen en beginselen van het Kinderrechtenverdrag en raadt de regering aan de Vreemdelingenwet te herzien. Hoe is het nu mogelijk om een politiek debat te voeren over de positie van kinderen in het vreemdelingenrecht zonder dat er een weloverwogen reactie van de regering beschikbaar is op de aanbevelingen van het VN-Comité.
Het huidige vreemdelingenrecht en het familierecht 'verdragen' elkaar niet. Het lijkt wel of er sprake is van twee verschillende rechtsstelsels. Ouderlijke verantwoordelijkheid, zorg en bescherming en 'het belang van het kind' zijn basisbeginselen van het familierecht. In het vreemdelingenrecht staat het restrictieve toelatingsbeleid centraal en worden kinderen eerst als vreemdeling behandeld en pas daarna als kind. Dit terwijl kinderen eerst als kind zouden moeten worden behandeld, met inachtneming van hun rechten (zoals vastgelegd in het Verdrag inzake de Rechten van het Kind) en pas in tweede instantie als vreemdelingen, op wie het nationale vreemdelingenrecht van toepassing is.
Op zoek naar een verantwoorde balans tussen vreemdelingenrecht en jeugdbeleid moet niet alleen de Minister voor Vreemdelingenzaken maar ook de coördinerend Staatssecretaris voor jeugdbeleid een belangrijke inbreng hebben in een samenhangend beleidsdocument over kinderrechten en vreemdelingenrecht.
De Minister zegt toe, in reactie op het ACVZ–advies, bij alle beschikkingen betreffende kinderen een 'best interest' omschrijving toe te voegen. Deze omschrijving zou ervoor moeten zorgen dat er een op het individu toegesneden motivering komt waarin 'het belang van het kind' geëxpliciteerd wordt (p. 6 reactie Minister op ACVZ-advies). Dit mag naar het oordeel van DCI geen loze toezegging zijn (de Minister zegt hierover namelijk dat het geen beleidswijziging betreft, p. 5 reactie ACVZ-advies). Het 'belang van het kind' mag niet gegoten worden in een gecodeerde standaardformulering. Er dient een individuele afweging plaats te vinden op basis van een heldere invulling en omschrijving van de verschillende belangen die in het geding zijn. Voor de invulling van het 'belang van het kind' verwijst DCI naar een aantal ijkpunten zoals die door Heiner en Bartels (zie bijlage) zijn geformuleerd en de uitwerking daarvan zoals die momenteel in opdracht van Justitie ontwikkeld wordt door de Rijks Universiteit Groningen.
"Ik ben B. en ben nu al 10 jaar in Europa en weet bijna niets meer van Turkije. Ik vind het heel gemeen van de landen dat ze niet meteen zeggen dat je terug moet. Ze laten ons eerst de taal leren, naar school gaan en vrienden maken en dan moeten we toch weer terug. Dat vind ik echt heel gemeen!�? (Ik ben er wel, maar ze zien me niet, p. 110)
Er wordt door de Minister geen passend belang gehecht aan de meningen van ingeburgerde kinderen (conform artikel 12 IVRK), zoals deze onder andere worden vertolkt in het rapport van Defence for Children "Ik ben er wel, maar ze zien me niet". De Minister geeft weliswaar aan dat de banden die kinderen met Nederland hebben opgebouwd worden meegewogen bij verblijfsaanvragen. Zij ziet echter geen aanleiding voor verlening van een verblijfsvergunning alleen vanwege met Nederland ontstane banden. Defence for Children is van mening dat 'het belang van het kind' weldegelijk met zich mee kan brengen dat in individuele gevallen kinderen een verblijfsrecht aan deze banden ontlenen. Kinderen hebben immers door toedoen van het overheidsbeleid jarenlang in Nederland kunnen integreren.
Opmerkelijk is de interpretatie die de Minister geeft van de uitspraak van de Raad van State van 5 februari 2002. In deze (naar het oordeel van Defence for Children ongenuanceerde uitspraak) geeft de Raad van State in algemene onverbloemde termen een interpretatie van de reikwijdte van het IVRK voor kinderen zonder geldige verblijfsstatus; letterlijk zegt de Raad van State dat "het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, voor zover al rechtstreeks toepasselijk, geen aanspraken in het leven roept voor kinderen wier ouders op grond van de Nederlandse wet – en regelgeving geen verblijf wordt toegestaan.�? Deze opvatting van de hoogste administratieve rechter is ook voor de Minister te gortig. Zij merkt hierover op dat het IVRK ook ten aanzien van niet rechtmatig verblijvende kinderen werking heeft (reactie Minister op rapport Defence for Children, p. 4).
De Minister trekt echter geen consequenties uit haar eigen interpretatie waar het gaat om het recht op voorzieningen. Ze kent kinderen zonder verblijfsrecht immers niet dezelfde onbeperkte toegang tot voorzieningen toe als andere Nederlandse kinderen. Weliswaar is er een (beperkt) recht op gezondheidszorg en onderwijs, maar de basisvoorzieningen van huisvesting en levensonderhoud (zie artikel 27 IVRK) wordt deze kinderen onthouden.
Artikel 2 IVRK (non-discriminatie) en artikel 27 IVRK ('minimum standards of living') geven tezamen aan alle kinderen op het Nederlandse grondgebied (binnen de Nederlandse rechtsbevoegdheid) dezelfde rechten op dezelfde voorzieningen. De Minister geeft echter aan dat ze niet gehouden is om blijvend in de opvang van mensen te voorzien, indien deze geen medewerking verlenen aan terugkeer. Zij ziet zich daartoe ook niet gehouden ingevolge internationale verplichtingen (reactie Minister op rapport Defence for Children, p. 5). Het VN-Comité inzake de Rechten van het Kind heeft echter in haar aanbevelingen van 30 januari 2004 aanbevolen dat de Nederlandse regering waarborgt dat alle kinderen die op uitzetting wachten adequaat onderwijs en adequate huisvesting krijgen.
Klik hier voor meer informatie.
© 2009 Defence for Children International Nederland - All rights reserved.