6 december 2011
De Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) heeft aan minister Leers voor Immigratie en Asiel het advies 'Om het maatschappelijk belang' uitgebracht. Het gaat over de vernieuwing van de discretionaire bevoegdheid waarmee de minister asielzoekers in schrijnende situaties een verblijfsvergunning kan geven. Defence for Children denkt dat uitvoering van het advies een grote verbetering kan opleveren maar heeft ook vragen bij enkele concrete aspecten.
Enige tijd geleden opperde minister Leers in de media het idee om burgemeesters in de toekomst meer invloed te geven bij de besluitvorming rondom het gebruik van zijn discretionaire bevoegdheid. In het vandaag verschenen rapport van de ACVZ adviseert de commissie tot het het instellen van een multidisciplinair adviesorgaan met lokale inbreng. Dit orgaan moet de minister in individuele zaken een zwaarwegend advies geven over het gebruik van zijn discretionaire bevoegdheid. Centraal in deze nieuwe methode staat dat er meer gekeken gaat worden naar de maatschappelijke en lokale binding van de aanvrager. Ook adviseert de ACVZ om meer aandacht te geven aan het belang van het kind.
Belangrijke winst aan het advies van de ACVZ is de erkenning van het feit dat de overheid (mede)-verantwoordelijkheid draagt voor de situatie van gewortelde vreemdelingen zonder verblijfsvergunning. Nu is het standpunt van de overheid dat het de eigen schuld, en daarmee verantwoordelijkheid, van uitgeprocedeerde asielzoekers is, dat ze na zo'n lange tijd nog in Nederland zijn. Ook als ze na jarenlange procedures ingeburgerd zijn geraakt in de Nederlandse samenleving. Kinderen van asielzoekers, die in feite nooit een eigen keuze hebben gehad, wordt in principe ditzelfde standpunt voorgehouden. In het advies van de ACVZ wordt de afhankelijke positie van de kinderen nu duidelijk erkend. Ook beschrijft de ACVZ dat hun situatie vaak erg schadelijk is voor hun ontwikkeling:
"Een deel van deze kinderen wordt in hun ontwikkeling geschaad door langdurige bestaansonzekerheid en het ontbreken van continuďteit en stabiliteit in hun opvoeding en verzorging. Zij verkeren in een situatie waar ze zelf geen of weinig invloed op hebben en ervaren geen toekomstperspectief. (…) De maatschappelijke verontwaardiging over het niet toestaan van verblijf aan langdurig verblijvende vreemdelingen is dan ook het grootst als het om (gezinnen met) kinderen gaat. Gelet hierop acht de commissie het, mede in het licht van de bepalingen in het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind (IVRK), noodzakelijk dat bij de beoordeling van verzoeken om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid wegens een maatschappelijk belang speciale aandacht bestaat voor uitgeprocedeerde vreemdelingen die minderjarig zijn."
Bij deze analyse verwijst de ACVZ onder meer naar het onderzoek van de orthopedagogen Kalverboer en Zijlstra van de Universiteit van Groningen. Hieruit blijkt dat het voor minderjarigen na gemiddeld vijf jaar verblijf in Nederland schadelijk is voor hun ontwikkeling om hen nog uit te zetten. Defence for Children wijst al langer op de schadelijke gevolgen van lange asielprocedures en de strijd die deze praktijk oplevert met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Dat de ACVZ hier rekening mee houdt, ziet Defence for Children dan ook als een grote stap vooruit.
Naast bovenstaande positieve punten, heeft Defence for Children ook een aantal bedenkingen. Het belangrijkste probleem dat Defence for Children in het rapport ziet, is dat de ACVZ adviseert om het onmogelijk te maken om over de adviezen te procederen. Het risico bestaat dat de advisering van het multidisciplinair orgaan dan een erg willekeurig karakter krijgt. Dat er geen controlemechanismen worden ingevoerd om die willekeur tegen te gaan, vindt Defence for Children erg onverstandig. De vrees bestaat dat dit in de praktijk leidt tot onrechtvaardige situaties waarbij mensen die grotendeels in overeenkomstige situaties verkeren, verschillend worden behandeld.
Bovendien bestaat de kans dat juist de meest schrijnende situaties van kinderen die niet in het zicht van belangenorganisaties zijn, over het hoofd worden gezien. Daarom mag de minister nooit alléén op lokaal advies varen bij het toepassen van zijn discretionaire bevoegdheid.
Dit klemt te meer omdat, zoals uit bovenstaande citaten blijkt, met het advies uitvoering is beoogd te geven aan juridische bepalingen uit het Kinderrechtenverdrag. Ook het recht op privéleven (artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) is relevant in de afweging of iemands banden in de samenleving voor (verblijfs)rechtelijke bescherming in aanmerking komen. Het ontbreken van controlemechanismen op de advisering, die juist beoogt uitvoering te geven aan fundamentele mensenrechten, is in strijd met andere mensenrechtelijke normen. Beslissingen over de implementatie en naleving van mensenrechten moeten aan een rechter voorgelegd kunnen worden, al is het maar omdat daarmee de gelijke behandeling van gelijke gevallen bevorderd wordt.
Defence for Children strijdt met de kinderen en jongeren van 'Wij Blijven!' voor een regeling in de Vreemdelingenwet die er voor zorgt dat minderjarigen die vijf jaar of langer in Nederland zijn automatisch een verblijfsvergunning krijgen. Een dergelijke regeling onderscheidt zich van het advies van de ACVZ omdat zij de gelijke behandeling van kinderen als uitgangspunt neemt. De normen uit het Kinderrechtenverdrag gelden immers voor alle kinderen en alle kinderen hebben recht op een zo goed mogelijke ontwikkeling.
© 2009 Defence for Children International Nederland - All rights reserved.