Registratie in de DNA-databank kan ingrijpende gevolgen hebben. Stel: je hebt als zestienjarige na een uit de hand gelopen ruzie op het schoolplein een leerstraf gekregen waarna er celmateriaal is afgenomen en opgeslagen in de DNA-databank. Als je 32 bent ga je dollars wisselen bij de bank om daarna met je gezin op vakantie te kunnen gaan. Buiten drink je een blikje cola en gooit deze in de buurt van het bankfiliaal weg. Een kwartier later is de bank doelwit van een gewapende overval. Door de registratie in de DNA-databank kan je op basis van het DNA op het blikje als verdachte wordt aangemerkt. De kans dat er dan rekening wordt gehouden met het feit dat een jeugdzonde lang geleden is en nauwelijks vergelijkbaar is met de ernst van een gewapende bankoverval is klein. De kans dat je als verdachte aan een grondig politieverhoor wordt onderworpen is groot.
Defence for Children International vindt het onnodig dat in Nederland jaarlijks gemiddeld bijna 2.000 minderjarigen DNA-gegevens moeten afstaan. DNA-afname zou voor minderjarigen geen standaardprocedure in het strafproces moeten zijn. De vraag of DNA-afname noodzakelijk is, moet alleen wanneer daar reden toe is onderzocht worden.
Nederland houdt in de regelgeving over DNA-afname geen rekening met de kwetsbare positie van kinderen, hun bijzondere positie in het jeugdstrafrecht en de bescherming die hen is toegekend in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). DNA-afname bij minderjarigen is een inbreuk op de privacy is volgens het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind en is alleen mogelijk na een zorgvuldige belangenafweging.
In Nederland wordt een onderscheid tussen minderjarigen en volwassenen niet gemaakt. De officier van justitie kan minderjarigen ouder dan twaalf jaar verplichten om DNA-materiaal af te staan als zij verdacht of veroordeeld zijn voor het plegen van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. In de praktijk wordt hiervan standaard veel gebruik gemaakt.
Defence for Children is van mening dat bij minderjarigen geen DNA-afname mogelijk zou moeten zijn. De wet dient te worden aangepast. De officier van justitie kan alleen een bevel tot afname geven in die gevallen waarin deze kan aantonen dat de afname van celmateriaal noodzakelijk is voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Voor de minderjarige moet het, anders dan nu het geval is, mogelijk zijn om tegen de afname van DNA-materiaal bezwaar te kunnen maken.
© 2009 Defence for Children International Nederland - All rights reserved.